Kaarten, inzonderheid wandkaarten
In de jaren negentig van vorige eeuw schreven sommige verlichte didactici, dwepend met ET-perspectieven voor de klas, samen met ander ‘klassiek’ didactisch materiaal, ook de ouwe trouwe wandkaart af. In de plaats daarvan zouden de flitsende wandprojecties komen, uit diverse electronische monden gespuwd, waarbij, naargelang de vingerknip van de leerkracht, een vloed van beelden, grafieken en schema’s, de klaswand zou doen oplichten. Niets bleek minder waar: de kaart, dus ook de wandkaart bleef zijn functie behouden. Zij bleef in de klas aanwezig, vast tegen de wanden geplakt, of opgerold in de voorraadkas, tot zij in volle glorie de ganse lesduur vooraan ontrold werd. Is het omdat de kaart vijftig minuten lang op het netvlies wordt gedrukt, daar waar de dia of de beamer maar enkele seconden in beeld verschijnt, dat de kaart onmisbaar blijkt? Is het omdat het aanbod van didactische kaarten in tien jaren tijd zo is uitgebreid en de kwaliteit van inhoud en vorm zo sterk is verbeterd, dat wandkaarten blijven bestaan? Is het omdat het gehele gamma van inhouden, in de richting van de grote syntheses, of in die van de topografische omgeving, de gebruikswaarde van de kaart enorm verbeterd heeft, dat de kaart in de klas springlevend blijkt? Is het omdat de nieuwe pedagogische inzichten inzake didactische hulpmiddelen de rol van de ruimtelijke of tijdelijke situering van de leerstof in grote mate hebben geaccentueerd, dat de kaart overleeft? Niet alleen in Vlaanderen maar ook in Nederland weerklonk de bijna dramatisch oproep van de grote criticus Kees Fens: “Astublieft, geef ons toch atlassen, kaarten en plattegronden”.(Het Parool, 10 mei 1996.), waarbij hij zuchtend klaagt: “Waarom wordt dat schitterend geheugen, dat het oog is, zo genegeerd?” Dat zijn de grondvesten waarop de uitgeverij RG Visualia is opgebouwd. |
||